Maandelijks archief: april 2017

Het Uffelter Binnenveld en de plaatjes van de os

Terwijl de avond viel liep ik het Uffelter Binnenveld in, een prachtig bos, afgewisseld door heide en vennetjes. Het pad veerde zachtjes onder mijn voeten en de teckels vonden het ook geweldig. De avondstilte werd af en toe eventjes onderbroken door het geroffel van een specht. Het getemperde licht, de grove dennen en het frisse, beginnende groen van de eiken; alles was droomachtig mooi. Het terrein was grillig met lange, diepe, droge sloten, die geen sloten, maar resten van loopgraven uit de oorlog bleken te zijn.  Al wandelend, keek ik uit naar de splitsing met de bocht naar links. Maar er kwam helemaal geen bocht naar links en langzaam sloop er vage ongerustheid bij me binnen. Ik liep  al veel langer dan ik had ingeschat, toen ik bij het beginpunt de wandelroute bestudeerde. Ik stelde mezelf gerust met gedachte, dat het vrijwel onmogelijk was, om hopeloos te verdwalen. Altijd zou ik wel weer ergens op een bekend punt uitkomen. Een beetje opgelucht, zag ik, in de verte een weiland  en het dak van een boerderij tussen de bomen schemeren. Nu gaat het goed komen, dacht ik. En toen stond er plotseling,  een enorme, grote, harige, Schotse Hooglander met twee gigantische horens, aan de rand van het bos, dichtbij het pad waar ik over heen moest. En even verder op liepen nog twee puber Hooglanders. Zij zagen mij geloof ik nog eerder dan ik hen. Het pad, zo wees het paaltje onverbiddelijk, ging langs de rand van het open weiland. Moedig deed ik daarom nog wat stappen op de aangegeven route. Maar, dat deden de Hooglanders ook en wel heel duidelijk, precies in mijn richting. Even stond ik stil en zij ook. Toen nam ik het kloeke besluit om van het pad af te wijken en diagonaal over te steken naar de verre hoek aan de overzijde van het weiland. Niet kijken zei ik tegen mijzelf. Niet kijken, maar lopen, gewoon doorlopen. Ik keek, alles buitensluitend, alleen naar de teckels, die ook nergens naar keken, maar rustig en snel voor mij uitliepen. Pas halverwege het weiland durfde ik voor het eerst om te kijken. En wat een opluchting, de Hooglanders waren nog ongeveer daar, waar ze al waren, gewoon aan het grazen. Weer terug  in het bos bleef ik alert, want ook hier konden dus Hooglanders lopen. Het Drentse Landschap had wel eens mogen waarschuwen, dacht ik, terwijl ik het pad vervolgde en moest denken aan de plaatjes van de os uit de zenliteratuur.  De beroemde plaatjes van de os, die ik nog niet zo lang geleden op mijn eigen manier geschilderd had. Het is een symbolisch en toch ook wel een romantisch verhaal met plaatjes over de menselijke zoektocht naar vrijheid, naar het ware zelf, naar de oorspronkelijke natuur, naar … noem het maar.

Het zijn tien klassieke zenplaatjes die de stadia in de  zoektocht verbeelden. Mijn geschilderde plaatjes van de os zijn bij de Wapserveense AA gesitueerd. De ossenhoedster is op zoek naar de os die losgebroken en weggelopen is.  De hoedster van de os vindt al zoekend, de eerste sporen van de os en ziet – volgend plaatje – plots een glimp van de os. De os is heel dichtbij. Mijn lievelingsplaatje is het plaatje waarop de os gevangen en getemd is. De mens is meester over zichzelf geworden en heeft volkomen vrijheid, het ware zelf, het onnoembare, bijna bereikt. Let op, bijna. In het Uffelter Binnenveld leek het er meer op, dat de Hooglander, met de twee pubers misschien wel, mij zouden vangen en temmen. Want stel je even voor, hoe klein en hulpeloos je feitelijk bent, aan de rand van zo’n groot en open weiland; het hele verhaal kan zo maar anders lopen.
Op mijn liefste plaatje is het feest, want de ossenhoedster zit lekker op de rug van de os en vervolgt haar pad; fluitend.  Dit is pas het zesde plaatje, er is daarna nog een hele weg te gaan. Het tiende en laatste plaatje draagt in het boekje van Hugo Lassale de titel; met open handen terug naar de markt.*

En ik, ik moet bekennen, onderweg naar huis moest ik zelfs nog naar de weg vragen. De navigator van google maps leek een beetje op hol te zijn. Ook moest ik bellen dat ik er wel aankwam, maar veel te laat voor het eten, doordat ik verdwaald was.

——————————————————————————————–

*De os en zijn hoeder. Zen-bezinning Hugo M. Enomiya-Lasalle

uitgegeven door Ankh Hermes 1990

Weten

Weten

in

ieders

zacht en teder weten

van

stilte van geluid

van

niet bewegen van beweging

rijst en daalt

het Al – Zijn

van de tijd.

April

Er was in deze maand april tot nu toe, één warme voorjaarsdag en dat was op een zondag. Twintig graden was het en vrijwel windstil. Verder was het voorjaar in remissie met veel ijskoude noorder wind en regen. Niet om buiten te zitten. Vanmorgen was het twee graden boven nul.   s’ Nachts had het flink gevroren. De grote, oude magnolia aan het einde van de tuin stond er dan ook zeer treurig bij. De pracht van net uitgekomen, donkerpaarse bloemen was in één keer verworden tot een massa van donker, bruine vlekken. Er was niets meer van de grote, frisse bloemen  over. De camelia’s die wat dichter bij het huis staan en meer beschermd zijn, hadden ook een tik van de vorst gehad. Maar minder ernstig. Hier en daar waren wat randjes van de bloemen bruin geworden, maar in het grotere zicht viel dat nauwelijks op. Aprilleed. In de Trouw

lees ik s’morgens graag de column van Ephimico. Vanmorgen ging zijn column  over ‘Aprilleed’ en het verlangen van Hollandse, Noord Europeanen, naar een mediterraan eiland om bruin te bakken. Hij schrijft: ” Hunkeren naar Schiphol heet dat, om die zompige, drassige ziel gedurende twee of drie weken in het zuiden te laten droogtrommelen”. Deze hunkering zo schrijft hij wordt steeds groter: “Zeker als de aprilbeloften niet worden ingelost met een maandgemiddelde beneden de 12 graden”. En inderdaad als ik de droevige magnolia zie en een dikke jas en mijn muts moet zoeken om naar buiten te kunnen gaan, dan verlang ik echt wel een beetje naar een mediterraan eiland.
 Al moet ik toch liever niet aan Schiphol denken en wil ik uiteindelijk de ijzige kou en de weergaloze voorjaarsluchten niet missen. Wil ik liever bij de vlammen van de pellets zitten en naar de magnolia turen, want wie weet komt er al fris groen blad tussen de bruine vlekken kijken. Liever wil ik de stoelen op het terras in orde brengen en samen met de koning mijn verjaardag vieren en het risico van een fikse voorjaarsverkoudheid op de koop toenemen, als ik weer in de ijzige noorder wind loop en veel te veel op de warmte van het beginnende zonnetje vertrouw.

Schoonheid en Troost

Magnetisch was het schilderij van Agnes Martin. Ik zag het op een Biënnale in Venetië. Het was vierkant, 60 x 60 inches, op canvas met acryl en grafiet. Na de vele schilderijen die ik daar zag van Julian Freud, trof dit schilderij van Martin me; het straalde mysterieus. Het was volkomen abstract, een segment dat niet mijn grootste belangstelling heeft. Het droeg de niet abstracte titel; Love and Goodness. Het schilderij had een zodanig impact dat ik alles wat ik kon vinden over Agnes Martin opgezocht. Inplaats van met een boek over de indrukwekkend, pasteuze naakten van Julian Freud, vetrok ik naar huis ik met boeken over werk van Agnes Martin. Zij bleek een beroemdheid te zijn, en was daarin zelf totaal niet geïnteresseerd. Ze werkte vele jaren van haar lange leven, in zelf verkozen eenzaamheid, in haar atelier in Taos in New Mexico.  “Ik schilder kalmte” zei ze in 1997 in een interview. “Als je stopt met nadenken en uitrust, stroomt er een beetje geluk in je hoofd”. In haar ‘Writings’ ontdek ik dat ze “The Zen Teaching of Huang Po”,  aanhaalt*. En dan kom ik thuis, begin ergens te begrijpen wat me zo raakt in haar werk. ” The paintings that Martin offered us are not pictures of any thing. They are cadences of light form and color. You can hear them with your eyes, they are silent sounds.” Ned Rifkin over Martin. Zij overleed in 2004 en werd 96 jaar. Het werk dat ik van haar zag zal ik nooit meer vergeten. Aandacht en concentratie; dáár in die regionen van de ‘mind’, woont schoonheid en troost voor alles. Een manier ook om toch te leven, wanneer er diepe gaten vallen in wat je voor zeker had gehouden. Wanneer gezondheid plotseling haar andere gezicht laat zien, het gezicht van ziek zijn en eindigheid. Het andere gezicht, even goed gekend als dat van gezondheid en oneindigheid. Dat wel.

Dit schilderij heet ‘With my back to the world’.

Maakt het eigelijk wel wat uit, waar precies, wij denken, dat de wereld is? Maakt het uit of wij proberen vanuit het diepst van ons hart, gezondheid, geluk, en vrede vast te houden? Het licht en ritme van vorm en kleur? Ja, ik denk dat het uitmaakt. Het geeft richting, troost en schoonheid, ook als we met onze rug naar de wereld staan.

*Writings/ Schriften, Agnes Martin? New York Early 60’s Cantz

*The Zen Teachings of Huang Po, On the transmission of Mind, vertaald door John Blofeld,Grove Press New York

Stralend Licht

Wolken, zo hoog

zo wit

zo stralend

in het eindeloze blauw

bijna, zo hoog

zo groot, zo wit, zo stralend,

als het Licht, in mij en jou.