Het Uffelter Binnenveld en de plaatjes van de os

Terwijl de avond viel liep ik het Uffelter Binnenveld in, een prachtig bos, afgewisseld door heide en vennetjes. Het pad veerde zachtjes onder mijn voeten en de teckels vonden het ook geweldig. De avondstilte werd af en toe eventjes onderbroken door het geroffel van een specht. Het getemperde licht, de grove dennen en het frisse, beginnende groen van de eiken; alles was droomachtig mooi. Het terrein was grillig met lange, diepe, droge sloten, die geen sloten, maar resten van loopgraven uit de oorlog bleken te zijn.  Al wandelend, keek ik uit naar de splitsing met de bocht naar links. Maar er kwam helemaal geen bocht naar links en langzaam sloop er vage ongerustheid bij me binnen. Ik liep  al veel langer dan ik had ingeschat, toen ik bij het beginpunt de wandelroute bestudeerde. Ik stelde mezelf gerust met gedachte, dat het vrijwel onmogelijk was, om hopeloos te verdwalen. Altijd zou ik wel weer ergens op een bekend punt uitkomen. Een beetje opgelucht, zag ik, in de verte een weiland  en het dak van een boerderij tussen de bomen schemeren. Nu gaat het goed komen, dacht ik. En toen stond er plotseling,  een enorme, grote, harige, Schotse Hooglander met twee gigantische horens, aan de rand van het bos, dichtbij het pad waar ik over heen moest. En even verder op liepen nog twee puber Hooglanders. Zij zagen mij geloof ik nog eerder dan ik hen. Het pad, zo wees het paaltje onverbiddelijk, ging langs de rand van het open weiland. Moedig deed ik daarom nog wat stappen op de aangegeven route. Maar, dat deden de Hooglanders ook en wel heel duidelijk, precies in mijn richting. Even stond ik stil en zij ook. Toen nam ik het kloeke besluit om van het pad af te wijken en diagonaal over te steken naar de verre hoek aan de overzijde van het weiland. Niet kijken zei ik tegen mijzelf. Niet kijken, maar lopen, gewoon doorlopen. Ik keek, alles buitensluitend, alleen naar de teckels, die ook nergens naar keken, maar rustig en snel voor mij uitliepen. Pas halverwege het weiland durfde ik voor het eerst om te kijken. En wat een opluchting, de Hooglanders waren nog ongeveer daar, waar ze al waren, gewoon aan het grazen. Weer terug  in het bos bleef ik alert, want ook hier konden dus Hooglanders lopen. Het Drentse Landschap had wel eens mogen waarschuwen, dacht ik, terwijl ik het pad vervolgde en moest denken aan de plaatjes van de os uit de zenliteratuur.  De beroemde plaatjes van de os, die ik nog niet zo lang geleden op mijn eigen manier geschilderd had. Het is een symbolisch en toch ook wel een romantisch verhaal met plaatjes over de menselijke zoektocht naar vrijheid, naar het ware zelf, naar de oorspronkelijke natuur, naar … noem het maar.

Het zijn tien klassieke zenplaatjes die de stadia in de  zoektocht verbeelden. Mijn geschilderde plaatjes van de os zijn bij de Wapserveense AA gesitueerd. De ossenhoedster is op zoek naar de os die losgebroken en weggelopen is.  De hoedster van de os vindt al zoekend, de eerste sporen van de os en ziet – volgend plaatje – plots een glimp van de os. De os is heel dichtbij. Mijn lievelingsplaatje is het plaatje waarop de os gevangen en getemd is. De mens is meester over zichzelf geworden en heeft volkomen vrijheid, het ware zelf, het onnoembare, bijna bereikt. Let op, bijna. In het Uffelter Binnenveld leek het er meer op, dat de Hooglander, met de twee pubers misschien wel, mij zouden vangen en temmen. Want stel je even voor, hoe klein en hulpeloos je feitelijk bent, aan de rand van zo’n groot en open weiland; het hele verhaal kan zo maar anders lopen.
Op mijn liefste plaatje is het feest, want de ossenhoedster zit lekker op de rug van de os en vervolgt haar pad; fluitend.  Dit is pas het zesde plaatje, er is daarna nog een hele weg te gaan. Het tiende en laatste plaatje draagt in het boekje van Hugo Lassale de titel; met open handen terug naar de markt.*

En ik, ik moet bekennen, onderweg naar huis moest ik zelfs nog naar de weg vragen. De navigator van google maps leek een beetje op hol te zijn. Ook moest ik bellen dat ik er wel aankwam, maar veel te laat voor het eten, doordat ik verdwaald was.

——————————————————————————————–

*De os en zijn hoeder. Zen-bezinning Hugo M. Enomiya-Lasalle

uitgegeven door Ankh Hermes 1990