Categoriearchief: de wereld van….

Angela Merkel en de vlag van Europa

Op 24 september zijn er verkiezingen in Duitsland.

Het debat tussen Angela Merkel en Martin Schultz dat zondag plaatsvond, zonder een vleugje hysterie, boeide van het begin tot het eind. Een verademing omdat het elkaar aftroeven niet alle aandacht opeiste. Het ging vooral over inhoudelijke opvattingen en standpunten. Het ambt van bondskanselier is in veilige handen bij Merkel. Haar politieke wijsheid en internationale ervaring is indrukwekkend en bij Schults heb ik gelukkig nog geen duidelijke gelijkenissen met de Amerikaanse president kunnen ontdekken.

Caspar David Friedrich (1774-1884) schilder in de tijd van de Duitse romantiek. Hij had een overtuigd geloof in het innerlijk licht en het eigen oordeel van het individu. Vandaar de zeer persoonlijke, mysterieuze sfeer en de ontroerende kracht van zijn landschappen. Het schilderij De wandelaar boven de nevelen, (1818) is eigenlijk niet van deze wereld en balanceert op de rand van de realiteit.* Het beeld heb ik enigszins losjes gekopieerd. In het schilderij van Friedrich verheft een mannelijke wandelaar zich op de punt van de rotsen boven de nevelen. In zijn plaats heb ik Angela Merkel met de vlag van Europa geschilderd als een baken van hoop in de nevelen van de wereld, onze wereld.

 

 

 

*Algemene kunstgeschiedenis door Hugh Honour en John Fleming. De herziene en uitgebreide editie. Uitgegeven bij Meulenhoff

Angela Merkel met de vlag van Europa. Olieverf op doek 100 bij 100 cm

De dijk en een ervaring

Tussen Domburg en Westkapelle ligt een 12 kilometer lange zeedijk. Via de panoramaroute kun je met de auto direct aan de zeezijde rijden. Het is indrukwekkend, zelfs een beetje griezelig. Na een bocht, lijkt het wel of de enorme dijk abrupt in de staalblauwe zee eindigt. Maar om de bocht is er in werkelijkheid iets heel anders. Daar ligt dicht aan de kust een schip, dat met een fantastische boog zand opspuwt. In haast en opwinding, stap ik uit om foto’s te maken en laat daarbij slordig het portier openstaan. Het kon dacht ik, er zijn geen andere auto’s te bekennen en er is ruimte genoeg.

Maar ineens is er toch een auto voor de lens. Ik kijk op en zie de bestuurder van de auto nadrukkelijk en vaak op zijn voorhoofd wijzen.

Nou, nou, zeg.

Ik stap snel weer in, sluit de deur en rijd langzaam door. Tot mijn verbazing staat de geïrriteerde bestuurder verderop zelf stil om naar het schip te kijken. Zachtjes mompel ik in mijzelf. ‘ Ik ga op zijn raampje kloppen en mijn excuus aanbieden.’ Maar gelukkig keert mijn gezonde verstand op tijd  terug.

Ik doe toch maar niet, wat ik eventjes, heel graag wel gedaan had.

 

Waar alleen de Hemel Souverein is

Veel in het oude arbeidershuisje aan de rand van het landgoed Ter Hooge bij Middelburg herinnert aan andere tijden. Zo vind ik een onvervangbaar boekje uit 1921 met Zeeuwsche Mijmeringen door P.H. Ritter Jr. * Het is een lofzang op Zeeland. Ik citeer:

“Zeeland, ge gaat er niet heen om op te merken, of om genoegens te smaken. Ge gaat er heen om anders te leven, om de Droom te herwinnen, dien het vlotte, bezige bestaan van alle dag voor u teloor deed gaan.”

Kan het nog mooier? En dan dit:

“Het is een wereld op zichzelf,  van ons gescheiden door de wijde eenzame zeeën, waarin de eenzame hemel vervloeit, van geelwitte stranden die vervloeien in de traag-uit-kabbelende golven. Ge gaat er heen om de eenzaamheid terug te vinden, de eenzaamdheden van het landschap en de eenzaamdheden van uw eigen ziel. Omgeven door de wijde ruimten, waar alleen de Hemel Souverein is.”

Prachtig en plechtig.  Een boekje vol proza dat Zeeland lyrisch schildert in woorden. Maar nu bijna honderd jaar later, is alles toch wel een beetje anders.

Ik zoek naar een plaats om het landschap, en plein air te schilderen. Dat valt nog niet mee. Op de eerste plek waar ik uitstap, moet ik onmiddellijk weer instappen. Het is er onverdragelijk door de snijdend, scherpe geur van gier. De enorme landbouwmachines die zich al vanaf de vroege ochtend dreunend door de smalle weggetjes persen, trekken hun sporen in de wijde omgeving. Er valt niet aan te ontkomen. En thuisblijven, met deuren en ramen dicht, helpt niet midden in een grootschalige agrarisch gebied.

Vele kilometers verderop sla ik een zijweg van een zijweg in. Ik hoop daar rustig in het gras aan de kant te staan. Want het bijzondere op deze tweede plek is dat er koeien buiten lopen. Bij de open achterklep van de auto installeer ik mij en begin te schilderen.

Het is niet moeilijk om op te gaan in het schilderen. Het landschap is zo prachtig en zonovergoten en windstil. Achter mij zoeven de fietsers langs. De meeste e-fietsers gaan heel hard. Toch in de flits van een paar seconden merken mensen op wat daar in de grasrand gebeurt. Regelmatig schalt het achter mijn rug: “wat mooi”, of, “hé, van Gogh”.

 

In een museum wordt gemiddeld 30 seconden naar een schilderij gekeken, naar gerennomeerde kunstwerken. Wanneer er een selfie met het kunstwerk wordt gemaakt is de gemiddelde kijktijd langer. Misschien deed ik het dan nog niet eens zo slecht daar op dat zijweggetje van een zijweggetje. Al geeft het te denken dat er niemand, helemaal niemand, afstapte voor een selfie met een schilderij in wording, daar in die wijde ruimten waar alleen de Hemel Souverein is.

 

*Zeeuwse Mijmeringen door P.H.Ritter Jr.

1921 Gedrukt bij G.J. Tieme te Nijmegen. Van den eersten druk vijftig genummerde exemplaren op geschept papier van Pannekoek

Zomer op Walcheren in Zeeland

Al bij Bergen op Zoom verandert er iets in het licht. Ik zie, of denk ik alleen maar te zien, dat het licht  van de zee zich weerspiegelt in de luchten boven de snelweg?

We rijden richting Goes en dan naar Walcheren, Middelburg.

Het is midden augustus en hoog zomer. De temperaturen zijn aangenaam. Walcheren is maar klein. Volgens wikipedia telt het 115.000 inwoners. Maar nu, midden in het hoogseizoen barst alles uit haar voegen. Het toerisme is intensief, net zoals de veehouding en de landbouw. Aan elke zijweg bij bijna iedere boerderij, is wel een volle minicamping. In stukjes weiland zijn geïmproviseerde parkeerplaatsen gemaakt. De eilandbevolking is in vakantietijd misschien wel verdrievoudigd. We mijden de doorgaande verkeersstromen. Rijden langzaam naar het strand over weggetjes met groene, hoog geschoren, meidoornhagen.

Plotseling zijn we in Biggekerke. Het dorpje is verborgen, de grote verkeersstromen worden om Biggekerke heen geleid. Het lijkt hier op het Renesse uit de jaren vijftig. Niet aangetast door de jacht naar steeds meer en nog groter, kan niet schelen hoe. Biggekerke, nee, niet omdat er veel biggen zijn. Het is een ringdorpje, dat haar naam waarschijnlijk dankt aan Begga, een Frankische edelvrouw die leefde rond 630. Zij werd heilig verklaard en is de patrones van stotteraars en van mensen met botbreuken en reuma. De kerk op het plein stamt uit de 15 de eeuw. In 1583 werd hier een Hervormde Gemeente gesticht. Maar het is wel een beetje jammer dat de kerk niet de naam van Sinte Begga draagt. In een dorp verderop, in Zoutelande kun je gratis parkeren en via een korte duinovergang het strand op.

Het is eb. Het strand en de zee zijn schitterend mooi. De teckels gaan los, want er zijn niet veel mensen op het strand. Op de wandeling langs de randen van het water, passeert een moeder met een klein meisje van een jaar of drie. Het meisje huppelt, spelend, met een emmertje in de richting van de zee.  Terwijl wij langs lopen hoor ik de moeder zeggen: “opletten hoor, want er hoeft maar dit te gebeuren en de zee neemt je mee”. De zee neemt je mee. Het blijft nog lang naklinken.

De zee neemt je mee.

Terug in het huisje waar we verblijven, schilder ik na maanden voor het eerst weer op een paneeltje, in olieverf. Ik schilder het beeld in dikke verf, zonder schetsen uit mijn hoofd.

De moeder, een moeder, onze moeders, met een kind op het strand, aan de rand van de zee, aan de rand van het water.   

 

 

Teckel college

Na de verhuizing moeten wij nog steeds wennen aan de nieuwe woonomgeving. Ook voor de teckels, Paramita en Gogo, is de wereld ingrijpend veranderd. Inplaats van in het bos, wonen wij nu, direct naast heel aardige buren. Zij schoffelen, zingend, de tuin. Stappen fluitend in de auto, om daarna met een plof de deur toe te slaan. Of, ze staan gezellig met een fiets aan de hand, een poosje te praten op straat, niet ver van onze voordeur. Allemaal aanleidingen voor uitzinnige blafpartijen die nauwelijks tot bedaren zijn te brengen. Gogo is bovendien begonnen met het bijten van binnenkomend bezoek. Niet voorzichtig, verkennend, een beetje zacht, wat happen aan de buitenkant van een been. Nee, ze bijt door, resoluut, direct en flink. Mijn teckelstress bereikte een absoluut hoogtepunt, toen de postbode door het gaas van het hekje gebeten werd. Hij kwam even dichtbij, om heel vriendelijk, de post te overhandigen. En mis was het. Het ontspannen en kalm met de honden omgaan was intussen ver te zoeken. Ik kon de twee teckels, eerlijk gezegd wel wat doen. Lekker buiten in de zon lezen en een beetje werken, was onmogelijk geworden door het overwaakzame duo.

En toen kwam er effectieve hulp, in de vorm van een paar onvergetelijke Teckel colleges. An, een goede vriendin en expert in trainen en werken met reddinghonden, bracht de oorsprong van de hond in herinnering.

Honden zijn geen gezellige knuffels of medemensen, in een wat andere vorm, met een staart. Honden stammen af van de wolven, zij zijn vurige en trouwe beschermers. Hun streven is altijd om de leider, de alpha, van de roedel te zijn, of te worden. In de Trouw, las ik de column van Wilma van Meteren. Zij schrijft over de neiging om aan dieren, menselijke eigenschappen toe te kennen.  Dit heet samengebald in één mooi woord: Antropomorfisme. De voorbeelden in de colomn zijn grappig. En ik vraag me werkelijk af, of het gedreven streven van de teckels naar de alpha positie, wel zo wezenlijk verschilt van de zware maatschappelijke pressie op doelgerichtheid en het behalen van targets. Of is het eerder een natuurlijke dynamiek waaraan mensen en honden niet kunnen ontsnappen?

Nu mijn begrip voor ‘hondsleven’ weer verruimd is, kan het verantwoordelijkheidsgevoel dat ik meen te zien in het uitzinnige blaffen van Paramita en Gogo, mij zelfs vertederen. Waarschijnlijk typisch een geval van antropomorfisme. Maar toch, nu ik weet, hoe ik in alle stilte, zonder één woord, duidelijk kan maken dat ik de roedelleider ben, wordt het allemaal weer een stuk leuker.

Als de teckels in de waakstand gaan, dan maak ik mij op aanwijzingen van An: “groot, met brede borst en armen iets van mij af en strek mijn nek. Ik kijk met opgeheven hoofd en vooruit gestoken kaak rustig van mij af.” En stil zijn de teckels. Ze gaan weer liggen en ontspannen onmiddellijk. De eerste keren was ik stomverbaasd over dit effect. Op zo’n moment is het ook het beste om niets te zeggen. Vanaf nu klinken geen uitroepen meer als: “goed zo, braaaaaf, of, o,o,o, wat een knappe hond.” Nee, stilletjes, zak ik terug in mijn stoel en zwijg. De rust die er dan is, voelt voor de hele roedel als weldadig en belonend.

Ik realiseer me beter hoe hard de honden werken. Want, alles moet op orde gehouden worden bij het hek en ook bij de voordeur met de bel. Bij de voordeur is het helemaal erg. Als alpha zit ik daar ver vandaan. Altijd maar met de kop naar beneden, te kijken in een krant, of een boekje of op een iPad. Intussen blijkt er geen enkel zichtbaar begrip van wat er allemaal aan dreiging is.  Laat staan dat er zichtbaar begrip is voor wat er aan inbreuk op het territorium kan ontstaan. Als ik dan bovendien geërgerd opspring vanwege uitzinnige geblaf, nadat de bel gaat, dan is het echt goed mis. In het ‘hondenuniversum’ zijn er nu twee aanleidingen voor dubbel, hard blaffen. De eerste aanleiding is de alpha zelf. Want het ijzingwekkende kabaal wordt door de boze lichaamstaal steeds verder aangemoedigd. De tweede aanleiding is de bel waarop de alpha te laat reageert. Immers de lagere in rangorde is het eerst bij de deur. Verbetert zodoende de alpha en neemt daarmee de positie over.

Wij oefenen op het ogenblik dagelijks om het herstel in de rangorde te internaliseren. Het bijten van Gogo zal hopelijk slijten, mits de rangorde echt gevestigd is en blijft.  Als de teckels in de waakstand springen, zie en snap ik het. Dan ben ik ze voor, meestal dan. 

Het teckelcollege heeft ons de weg gewezen uit probleemgedrag en meer rust en ontspanning gebracht. Ik ben mijn docent zeer dankbaar.

I

 

 

admin

15 juni 2017

Kasteel Twickel met Adam en Eva aan de poort.

Mijn belangstelling voor kastelen is begonnen met de televisieserie Floris. Veel acties werden destijds opgenomen op kasteel Doornenburg in de Betuwe. Ik woonde daar niet zover vandaan. Rutger Hauwer in de rol van Floris, zwaardvechtend te paard over de ophaalbrug, als jonge, moedige, eerlijke en rechtvaardige ridder, is een beeld dat me altijd bijbleef. Net zoals het afstijgen op de binnenplaats van het kasteel, het geluid van paardenhoeven op de keien en de tochten door de bossen en grandioze velden. Het liet me dromen over vervlogen tijden en over wat er al niet mogelijk is. Dat er in de eerste 8 afleveringen van Floris geen vrouw te zien was, heeft me toen niet in het minst verwonderd. Ik merkte het simpelweg niet op. Dit was tijdens het bezoek dat ik onlangs aan kasteel Twickel bracht wel anders.

Bij de hoofdingang van Twickel is het keurig in balans. Adam en Eva prijken ieder aan een zijde, al vanaf ca. 1551, op twee halfzuilen naast de voordeur. Daarboven bevindt zich de slang in de boom der kennis. Dit zegt natuurlijk nog niet zoveel. De verdere rondgang in het kasteel illustreert de geschiedenis van eeuwen.

adam en eva met iphone

Sporadisch was er tussen de vele portretten van mannelijke helften uit de familielijnen die het kasteel bevolkten, een portret van een erfdochter te zien. Er kwamen niet veel vragen uit de groep die werd rondgeleid. Maar terwijl we een kopje koffie in de orangerie dronken, werd er over één portret wat uitgebreider gesproken. Het betrof het portret van Sophia van Wassenaer Obdam. Zij was de stiefmoeder van Marie Cornélie van Wassenaer Obdam en werd door Cornélie aanbeden. Maar of Sophia dat ook verdiende betwijfelden wij ernstig. In het dagboek van Marie Cornélie is te lezen over de streek die Sophia aan Cornélie leverde. Toen ze overleed bleek dat Sophia in haar testament slechts één regel aan Cornélie had besteed. Zij mocht één dierbare herinnering uit de te erven persoonlijke spulletjes kiezen. Nee, wij hadden het niet op Sophia, al had zij het als hofdame en vertrouweling bij de Oranjes en Romanovs goed gedaan. Het geschilderde portret van Sophia op oudere leeftijd, is een van de meest fascinerende portretten in het kasteel. Het was goed dat wij het in de orangerie in alle rust nog eens konden bekijken. Misschien was zij wel een transgender, werd verondersteld. Maar een transgender in die tijd? Transgenders waren er waarschijnlijk wel, maar ze bestonden natuurlijk niet. Een feit is dat het schaduwwerk in het portret Sophia  wel wat doet lijken op Consita Wurst, de vrouw met de baard, van het songfestival. Voeg daarbij een rode mond als streep met bovendien behoorlijk zware wenkbrauwen en de associatie met een dragqueen is niet langer vreemd. Het is te zien dat het leven niet zomaar langs Sophia is heen gegleden.

Het dagboek van Marie Cornélie over de reis naar het hof van Sint Petersburg 1824-1825 is een mooi document.* Het is een plezier om te lezen over de reis per koets door een deel van Europa.

Te lezen over logeren op grote buitens die op de lange route lagen. Over hoe men ontvangen werd, hoe men gekleed was en over brieven van familie en vrienden. Lezen over het dagelijkse leven aan het hof van de Russische tsarenfamilie en over bezoeken aan erfdochters en prinsen in de omgeving van Petersburg. Dit alles gebeurde samen met ‘maman’, stiefmoeder Sophia. Cornélie hield in grote aanhankelijkheid veel van maman. Dit valt op in de precieze dagboeknotities. Een beetje jammer is dat wat door Cornélie geschreven werd, ook nog door de beugel moest van de toen heersende, hoogste klasse. Maar, het recht op vrijheid van meningsuiting voor iedereen, daar zijn we nu intussen wel achter, is niet alleen maar fantastisch. Ook zelfcensuur kan nuttig en nobel zijn.

Ik denk bij een geschiedenis als van Twickel, aan de datum van invoering van het actieve kiesrecht. Dat was in 1917 voor mannen en in 1919 voor vrouwen. Een piket paaltje in mijn tijdsbesef. Vanaf 1825 woonde Marie Cornélie voornamelijk op Twickel. Zij moet heel wat keren langs Adam en Eva zijn gelopen, terwijl haar echtgenoot, van haar vermogen het kasteel verfraaide en nog meer leuke dingen deed. Cornélie getrouwd en zodoende handelingsonbekwaam, althans in juridische zin, stierf in 1850. Pas honderd jaar later, vanaf 1957, konden getrouwde vrouwen, bij wet handelingsbekwaam verklaard, zelfstandig overeenkomsten sluiten.

Het kasteel is een eeuwen oud, doorleeft monument. De bibliotheek met tienduizend boeken in kalfsleer gebonden, is onwaarschijnlijk kostbaar. Het interieur, de kamers, ontvangstruimten en de drostekamer waar recht gesproken werd, de keukens, alles is imposant. Toch ademt het kasteel eerder indrukwekkende, familiare vertrouwdheid dan megalomane, statigheid. Wie zou hier de hand in gehad hebben?

Dat het kasteel in de huidige staat bewaard blijft is te danken aan de laatste eigenares, baronesse van Heeckeren van Wassenaer. Zij verstond de tijd goed en bespaarde ons het zoveelste pretpark, door het kasteel in 1975 in een stichting onder te brengen.  Zij stelde daarmee de toekomst van het erfgoed veilig. Bij haar overlijden in 1975, legateerde zij ook overige bezittingen, waaronder een 7-tal kleinere landgoederen aan de Stichting Twickel. Volgens haar wens wordt het kasteel sindsdien bewoond door de familie van haar achterneef Castell – Rüdenhausen.

 

*Marie Cornélie

Dagboek van haar reis naar het hof van Sint-Petersburg 182 – 1825

door Thera Coppens

Meulenhoff

Home is where the heart is

Het huisje voor de havenmeester van de Kreupel deint zachtjes mee met het water en de harde wind. Honderden ijsselmeervliegjes op de ramen stippelen het uitzicht. Alles maar dan ook alles  schittert en beweegt in licht. Er zijn duizenden en nog eens duizenden vogels. Zij zijn in een concert van een fantastisch, alles overstemmend gesnatter, geroep, gekrijs, gekwaak en gekwetter. Het is een ruig concert met als basis toon het huilen van de wind en het klepperen van tuig van een enkel zeilschip dat aan de steigers ligt.

De lieflijke sonates van merels en het gekwinkeleer van meesjes, waarmee ik zo verwend ben, zijn in één klap weggeblazen uit mijn herinnering. Zo overweldigend is al dit heel andere. Ik ga vroeg slapen om de tollende indrukken tot rust brengen.

Mijn kennis van vogels beperkt zich zo ongeveer tot wat ik zie en hoor. De vogels verblijven op afstand van de steigers, op het eiland en op de lange kribben met hun lage begroeiing. In korte tijd ontstond hier de grootste broedkolonie voor visdiefjes. De zwarte stern is in opkomst.  Op het dak van het havenmeesterhuisje woont een postduif die nog geen roekoekoe gegeven heeft. Te moe, schat ik, of gewoon niet nodig.  Ze hipt wat rond tussen de talloze vliegjes, heeft aan voedsel geen gebrek. Meerkoetjes met jonkies worden bedreigt door een mantelmeeuw. Mijn schreeuwen en zwaaien op de steiger heeft denk ik geholpen. De meeuw zweeft weg zonder prooi.

Ik ben geïnstalleerd en voel me thuis. Laat in de avond kleurt de lucht verbijsterend rood. Stil wordt het niet, wel rustiger. s’ Nachts wordt ik wakker door geknabbeld aan het huis. Nee, ik zie geen muizen of ratten. Wel drijven heel dichtbij, dertig, veertig eenden, donker en stilletjes op het water. Zij bikken buiten eten van de palen onder mijn stapelbed. Door het raam boven het keukenblok, kijk ik in een zwarte wand met kleine rode lichtjes, in rechte lijntjes onder elkaar. Ze staan ver weg op de windmolens bij Medemblik.

Een wonderlijk gevoel van thuis zijn vervult me.  “Home is where the heart is, my heart is my home”. Overal en alles is vreemd en toch, toch dat gevoel. Home is where the heart is, hoorde ik ooit zingen door Angenea, een blinde, indiaanse man. De manier waarop hij toen zijn versie zong, raakte en ontroerde een grote groep mensen. Thuis is waar je hart is, mijn hart is mijn thuis. Zo eenvoudig is het.

 

Waar woont de postbode?

Een postbode keek in de jaren zeventig heus niet in de enveloppen van de vele brieven die hij dagelijks bezorgde. De mensen in het dorp wisten , welke route hij liep, hoe laat hij kwam en zelfs waar hij ongeveer woonde. Bovendien had de PTT vast en zeker een papieren dossiertje in de archiefkast met tenminste naam, adres en leeftijd van de postbode. Zo mooi en romantisch als in de film El Postino was het denk ik niet, maar alles was wel heel overzichtelijk. De Boerenleenbank had in elk dorp of stad een aardige locatie, meestal in het centrum, dichtbij het postkantoor. Identificeren aan de balie was niet nodig, want men kende elkaar en zelfs het betalingsverkeer liep mede via de postbode. De digitale wereld was toen nog diep weg gevouwen in de toekomst.

Inmiddels bankier ik al heel wat jaren via internet en zijn banken en postkantoren veranderd in muren met pinautomaten. Toen het pas geleden niet lukte om inloggevens in te voeren,  begreep ik dankzij bellen met de helpdesk van de bank, dat op mijn verouderde toetsenbord de caplock aanstond. Een heel vriendelijke medewerker legde uit dat ik daar doorheen kon komen door fn tegelijk met F6 in te drukken. Daarmee kwam het weer goed.

Op het ogenblik dringen advertenties mijn computer binnen die wonderwel synchroon lopen met een zojuist geboekte vakantie op Texel. Advertenties die Texel steeds opnieuw aanbieden. Ook zocht ik ziektebeschrijvingen op via google. En bijna per direct  springen daarna advertenties tevoorschijn voor rolstoelen, scootmobielen en trapliften. ‘Algoritmisch’ gekaapt. Ja, er zijn privégegevens opgehengeld, terwijl ik op websites informatie zocht. Misschien is er zelfs wel gehengeld in mijn email correspondentie. Dit laatste weet ik trouwens niet zeker, maar ik houd het voor heel goed mogelijk. Wie maakte op grote afstand  mijn brieven open en volgde me tijdens winkelen op internet, om mijn privé informatie vervolgens te vermarkten?

Niets heb ik ervan gemerkt en ook niets van het daarmee verdiende geld. Of gaf ik met elk cookieakkoord dat ik clickend tekende toestemming voor dit alles? Het antwoord zal ik ongetwijfeld kunnen vinden. Maar dan moet ik nog wel even doorlezen. In plaats hiervan blijf ik steken in een beetje neuriën,  waar, o waar, is de postbode gebleven ?

Harari, de schrijver van Homo Deus* meent dat elk organisme een algoritme is. Alles is kenbaar met behulp van computers tot in het kleinste detail. De mens is voorspelbaar en manipuleerbaar. Bovendien wordt alles wat niet te berekenen is, niet geteld en daarmee betekenisloos.

Zou het echt waar zijn? Is alle denken en het verlangen naar goedheid, liefde, vrijheid, gelijkheid, samenhang en community dan achterhaald en naïef? Is alle hoop dat chaotiserende ontwikkelingen zich ten goede zullen keren betekenisloos? Nee, daarmee wil ik niet leven. Deze bodes zijn van nu en van alle tijden. Zij zijn de dragers van de meest belangrijke boodschappen uit het menselijke hart. Deze postbodes wonen nergens niet.

* Yuval Noah Harari doceert geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Hij schreef Homo Deus.  Een kleine geschiedenis van de toekomst. Uitgegeven 2017 Thomas Rap.

Zie ook 22 maart Homo Deus

 

 

Tekenen

Tekenen is een groot plezier. Ik stel mijzelf daarbij geen al te hoge eisen. Het mag best hier en daar een beetje rammelen, waardoor het tekenen tamelijk gemakkelijk gaat. Het is voor mij gemakkelijker dan schilderen in olieverf, dat wordt al gauw wat zwaar. Voorlopig zal het vooral tekenen zijn. Het tekenen van alledaagse zaken, als stille, piepkleine verhaaltjes die in de blog naar buiten gaan.

Gisteravond keek ik naar Vogelparadijs, een prachtige documentaire over de tekenaar Peter Vos die in 2010 op 75 jarige leeftijd overleed. In Vrij Nederland, toen nog een heel grote en dikke krant, keek ik altijd vol bewondering, als eerste naar het leeuwtje dat hij tekende. Hij deed dit veertig jaar, elke week, zo begreep ik. Maar zo lang, veertig jaar, las ik Vrij Nederland niet. Peter Vos tekende een groot oeuvre bij elkaar, fascinerend mooi, fantasierijk en met een enorme variëteit aan onderwerpen. Elke foute lijn maakte dat de hele tekening opnieuw moest. Want corrigeren dát had hij zichzelf verboden. Hij tekende elke dag, uren en uren. Dezelfde tekening soms wel tien keer opnieuw. Iets wat ik me niet goed kan voorstellen. In het boek Metamorfosen is een hoofdstuk met tekeningen aan ‘De roof van Europa’ gewijd.* De oppergod Zeus ontvoert in de gedaante van een stier, de koningsdochter Europa. Dit thema, maar vooral de tekeningen benamen mij bijna de adem toen ik er goed naar keek.

Dit zijn puur politieke tekeningen geworden door de omstandigheden in ons Europa van vandaag.  Politiek had bepaald niet de belangstelling van Vos. Maar na de Brexit en met verkiezingen in Frankrijk over een week, zijn de tekeningen bijna griezelig. De roof van Europa. Gangbaar in klassieke verbeeldingen is, één prinses op de stier als symbool van eenheid. Titiaan, Rubens en vele andere klassieke schilders, schilderden dit thema. De kluwen van naakten op de stier bij Peter Vos is een nieuwe interpretatie en verwijst naar de Europese landen die, laten we zeggen; proberen om met elkaar enige balans te behouden. En laten we hopen dat dat blijft lukken, al ziet de kluwen van mensen er niet erg bemoedigend uit.

Peter Vos tekende ook duizenden vogels, zijn mussen zijn werkelijk kleine persoonlijkheden. Zijn beestenkwartet mag niet vergeten worden. De luistervink, de snotaap, maar vooral de schijtlijster vond ik prachtig. De vondst ‘schijtlijster’ rolt er bij mij soms nog weleens spontaan uit om zekere ergernis te verwoorden. Typisch een geval waar beeld en taal volkomen in elkaar  en in het collectief geheugen zijn opgegaan. En natuurlijk tekende hij ook vossen en vosjes.

Er is een serie pentekeningen ‘Vos aan het werk’, waarbij hij schrijft: “Mens durf te knoeien”. Ja, zo ver moet het komen: durf te knoeien, echt waar.

 

* Peter Vos Metamorfosen Uitgeverij THOTH, Bussum

De tekeningen zijn uit het boek Metamorfosen

Vogelparadijs documentaire:

http://www.uitzendinggemist.net/aflevering/390967/Het_Uur_Van_De_Wolf.html

Het Uffelter Binnenveld en de plaatjes van de os

Terwijl de avond viel liep ik het Uffelter Binnenveld in, een prachtig bos, afgewisseld door heide en vennetjes. Het pad veerde zachtjes onder mijn voeten en de teckels vonden het ook geweldig. De avondstilte werd af en toe eventjes onderbroken door het geroffel van een specht. Het getemperde licht, de grove dennen en het frisse, beginnende groen van de eiken; alles was droomachtig mooi. Het terrein was grillig met lange, diepe, droge sloten, die geen sloten, maar resten van loopgraven uit de oorlog bleken te zijn.  Al wandelend, keek ik uit naar de splitsing met de bocht naar links. Maar er kwam helemaal geen bocht naar links en langzaam sloop er vage ongerustheid bij me binnen. Ik liep  al veel langer dan ik had ingeschat, toen ik bij het beginpunt de wandelroute bestudeerde. Ik stelde mezelf gerust met gedachte, dat het vrijwel onmogelijk was, om hopeloos te verdwalen. Altijd zou ik wel weer ergens op een bekend punt uitkomen. Een beetje opgelucht, zag ik, in de verte een weiland  en het dak van een boerderij tussen de bomen schemeren. Nu gaat het goed komen, dacht ik. En toen stond er plotseling,  een enorme, grote, harige, Schotse Hooglander met twee gigantische horens, aan de rand van het bos, dichtbij het pad waar ik over heen moest. En even verder op liepen nog twee puber Hooglanders. Zij zagen mij geloof ik nog eerder dan ik hen. Het pad, zo wees het paaltje onverbiddelijk, ging langs de rand van het open weiland. Moedig deed ik daarom nog wat stappen op de aangegeven route. Maar, dat deden de Hooglanders ook en wel heel duidelijk, precies in mijn richting. Even stond ik stil en zij ook. Toen nam ik het kloeke besluit om van het pad af te wijken en diagonaal over te steken naar de verre hoek aan de overzijde van het weiland. Niet kijken zei ik tegen mijzelf. Niet kijken, maar lopen, gewoon doorlopen. Ik keek, alles buitensluitend, alleen naar de teckels, die ook nergens naar keken, maar rustig en snel voor mij uitliepen. Pas halverwege het weiland durfde ik voor het eerst om te kijken. En wat een opluchting, de Hooglanders waren nog ongeveer daar, waar ze al waren, gewoon aan het grazen. Weer terug  in het bos bleef ik alert, want ook hier konden dus Hooglanders lopen. Het Drentse Landschap had wel eens mogen waarschuwen, dacht ik, terwijl ik het pad vervolgde en moest denken aan de plaatjes van de os uit de zenliteratuur.  De beroemde plaatjes van de os, die ik nog niet zo lang geleden op mijn eigen manier geschilderd had. Het is een symbolisch en toch ook wel een romantisch verhaal met plaatjes over de menselijke zoektocht naar vrijheid, naar het ware zelf, naar de oorspronkelijke natuur, naar … noem het maar.

Het zijn tien klassieke zenplaatjes die de stadia in de  zoektocht verbeelden. Mijn geschilderde plaatjes van de os zijn bij de Wapserveense AA gesitueerd. De ossenhoedster is op zoek naar de os die losgebroken en weggelopen is.  De hoedster van de os vindt al zoekend, de eerste sporen van de os en ziet – volgend plaatje – plots een glimp van de os. De os is heel dichtbij. Mijn lievelingsplaatje is het plaatje waarop de os gevangen en getemd is. De mens is meester over zichzelf geworden en heeft volkomen vrijheid, het ware zelf, het onnoembare, bijna bereikt. Let op, bijna. In het Uffelter Binnenveld leek het er meer op, dat de Hooglander, met de twee pubers misschien wel, mij zouden vangen en temmen. Want stel je even voor, hoe klein en hulpeloos je feitelijk bent, aan de rand van zo’n groot en open weiland; het hele verhaal kan zo maar anders lopen.
Op mijn liefste plaatje is het feest, want de ossenhoedster zit lekker op de rug van de os en vervolgt haar pad; fluitend.  Dit is pas het zesde plaatje, er is daarna nog een hele weg te gaan. Het tiende en laatste plaatje draagt in het boekje van Hugo Lassale de titel; met open handen terug naar de markt.*

En ik, ik moet bekennen, onderweg naar huis moest ik zelfs nog naar de weg vragen. De navigator van google maps leek een beetje op hol te zijn. Ook moest ik bellen dat ik er wel aankwam, maar veel te laat voor het eten, doordat ik verdwaald was.

——————————————————————————————–

*De os en zijn hoeder. Zen-bezinning Hugo M. Enomiya-Lasalle

uitgegeven door Ankh Hermes 1990