Categoriearchief: de wereld van….

April

Er was in deze maand april tot nu toe, één warme voorjaarsdag en dat was op een zondag. Twintig graden was het en vrijwel windstil. Verder was het voorjaar in remissie met veel ijskoude noorder wind en regen. Niet om buiten te zitten. Vanmorgen was het twee graden boven nul.   s’ Nachts had het flink gevroren. De grote, oude magnolia aan het einde van de tuin stond er dan ook zeer treurig bij. De pracht van net uitgekomen, donkerpaarse bloemen was in één keer verworden tot een massa van donker, bruine vlekken. Er was niets meer van de grote, frisse bloemen  over. De camelia’s die wat dichter bij het huis staan en meer beschermd zijn, hadden ook een tik van de vorst gehad. Maar minder ernstig. Hier en daar waren wat randjes van de bloemen bruin geworden, maar in het grotere zicht viel dat nauwelijks op. Aprilleed. In de Trouw

lees ik s’morgens graag de column van Ephimico. Vanmorgen ging zijn column  over ‘Aprilleed’ en het verlangen van Hollandse, Noord Europeanen, naar een mediterraan eiland om bruin te bakken. Hij schrijft: ” Hunkeren naar Schiphol heet dat, om die zompige, drassige ziel gedurende twee of drie weken in het zuiden te laten droogtrommelen”. Deze hunkering zo schrijft hij wordt steeds groter: “Zeker als de aprilbeloften niet worden ingelost met een maandgemiddelde beneden de 12 graden”. En inderdaad als ik de droevige magnolia zie en een dikke jas en mijn muts moet zoeken om naar buiten te kunnen gaan, dan verlang ik echt wel een beetje naar een mediterraan eiland.
 Al moet ik toch liever niet aan Schiphol denken en wil ik uiteindelijk de ijzige kou en de weergaloze voorjaarsluchten niet missen. Wil ik liever bij de vlammen van de pellets zitten en naar de magnolia turen, want wie weet komt er al fris groen blad tussen de bruine vlekken kijken. Liever wil ik de stoelen op het terras in orde brengen en samen met de koning mijn verjaardag vieren en het risico van een fikse voorjaarsverkoudheid op de koop toenemen, als ik weer in de ijzige noorder wind loop en veel te veel op de warmte van het beginnende zonnetje vertrouw.

Schoonheid en Troost

Magnetisch was het schilderij van Agnes Martin. Ik zag het op een Biënnale in Venetië. Het was vierkant, 60 x 60 inches, op canvas met acryl en grafiet. Na de vele schilderijen die ik daar zag van Julian Freud, trof dit schilderij van Martin me; het straalde mysterieus. Het was volkomen abstract, een segment dat niet mijn grootste belangstelling heeft. Het droeg de niet abstracte titel; Love and Goodness. Het schilderij had een zodanig impact dat ik alles wat ik kon vinden over Agnes Martin opgezocht. Inplaats van met een boek over de indrukwekkend, pasteuze naakten van Julian Freud, vetrok ik naar huis ik met boeken over werk van Agnes Martin. Zij bleek een beroemdheid te zijn, en was daarin zelf totaal niet geïnteresseerd. Ze werkte vele jaren van haar lange leven, in zelf verkozen eenzaamheid, in haar atelier in Taos in New Mexico.  “Ik schilder kalmte” zei ze in 1997 in een interview. “Als je stopt met nadenken en uitrust, stroomt er een beetje geluk in je hoofd”. In haar ‘Writings’ ontdek ik dat ze “The Zen Teaching of Huang Po”,  aanhaalt*. En dan kom ik thuis, begin ergens te begrijpen wat me zo raakt in haar werk. ” The paintings that Martin offered us are not pictures of any thing. They are cadences of light form and color. You can hear them with your eyes, they are silent sounds.” Ned Rifkin over Martin. Zij overleed in 2004 en werd 96 jaar. Het werk dat ik van haar zag zal ik nooit meer vergeten. Aandacht en concentratie; dáár in die regionen van de ‘mind’, woont schoonheid en troost voor alles. Een manier ook om toch te leven, wanneer er diepe gaten vallen in wat je voor zeker had gehouden. Wanneer gezondheid plotseling haar andere gezicht laat zien, het gezicht van ziek zijn en eindigheid. Het andere gezicht, even goed gekend als dat van gezondheid en oneindigheid. Dat wel.

Dit schilderij heet ‘With my back to the world’.

Maakt het eigelijk wel wat uit, waar precies, wij denken, dat de wereld is? Maakt het uit of wij proberen vanuit het diepst van ons hart, gezondheid, geluk, en vrede vast te houden? Het licht en ritme van vorm en kleur? Ja, ik denk dat het uitmaakt. Het geeft richting, troost en schoonheid, ook als we met onze rug naar de wereld staan.

*Writings/ Schriften, Agnes Martin? New York Early 60’s Cantz

*The Zen Teachings of Huang Po, On the transmission of Mind, vertaald door John Blofeld,Grove Press New York

Homo Deus

Al grazend in de vergezichten van Homo Deus bevangt mij een aangenaam soort duizeligheid. Homo Deus, een actueel, spraakmakend boek over de Godmens met Supervermogens. Big history, maar dan over de toekomst door Yuval Nuah Harari*. Hij beschrijft hoe de mensheid op weg is naar de Goddelijke Superstatus. Wij gaan via wereldoorlogen, wereldreligies, naar nieuwe vrede, genetische modificatie en mondiale dataverwerkingssystemen. Nano robotjes in onze bloedbaan ruimen verkeerde cellen op. Ons organisch lichaam wordt op den duur verrijkt met anorganische toevoegingen als bionische handen, knieën, ogen. Steeds belangrijker als je boven de zeventig bent. Mijn duizeligheid slaat om in een vreemd soort gretigheid. Een cyborgchirurg in Tokio, die vanuit haar werkkamer iemand kan opereren in een ruimtestation op Mars. Dit megalomane kijken in een zo schone toekomst, dat bevalt mij wel. Het bevalt me vele malen beter dan, het machteloos meekijken in beelden van chaotisch geweld, honger, droogte en smeltende ijskappen. Harari schrijft ook over geluk. In het hoofdstuk : ‘Het recht op geluk’, reduceert hij geluk tot uitsluitend; het hebben van aangename sensaties in ons eigen lichaam. Recht op geluk bestaat dat wel?  ‘ Woede bijvoorbeeld, volgens Harari, wordt ervaren als een verhit, gespannen gevoel in het lichaam en dat maakt het zo vervelend.’     Ja, dat ken ik. Het is, dat vind ik ook, inderdaad; heel vervelend. Hij schrijft: ‘ We reageren nooit op gebeurtenissen in de buitenwereld, maar alleen op sensaties in ons eigen lichaam.’ En hier denk ik dan; deus, deus, deus, dit gaat veel te ver. Want hoezo?  Is er eigenlijk wel een buitenwereld en waar is die dan? Als ik er niet ben, dan is er zeker toch ook geen buitenwereld?  Nisargadatta** zei heel vaak: “de wereld is in jou, jij bent niet in de wereld” en ook shocking:” jij bent niet je lichaam”. Een tuimeling in het non-duale.  Het aangename duizelen van daarnet kwam heel even terug, maar is intussen  overgaan in een zachte weldadigheid. Hoor ik daar nu heel in de verte, zingen? Homo, Homo, Deus, o , o…..o

* Yuval Noah Harari doceert geschiedenis aan de Hebreeuwse Universiteit van Jeruzalem. Homo Deus Een kleine geschiedenis van de toekomst. Uitgegeven 2017 Thomas Rap.

** Nisargadatta 1897 – 1981 spiritueel leraar te Bombay. Gesprekken over non dualiteit zijn opgetekend en vertaald  in het boek; Ik ben/Zijn.

*** Foto van beeldje van dansende Ganesha, op de hoek van het bureau. Ganesha is een van de meest geliefde Hindoe Goden: ‘the remover of obstacles’

 

Een fijne dag in grote vrijheid

Bij de kassa van het Vlinderparadijs op het Holtingerveld zat een oude mevrouw met ernstige beperkingen. Het kontante entreegeld kon ze niet aanpakken. Ik moest mij over een toonbank buigen om het geld in haar handen te leggen, dichtbij het kistje waarin het opgeborgen werd. Zij fluisterde mij bijna onhoorbaar, een fijne dag toe. In het eigenlijke paradijs was het 27 graden en vredig stil. Er waren de prachtigste, exotische vlinders. Heel grote, wit gevlekten die al zwevend, voortdurend aanduwden tegen het met daglicht doorschenen, glazen plafond. Twee grote  bruine vlinders zaten doodstil, lange tijd op een terracotta voerbakje, dicht tegen elkaar. Ik zat op een bankje na te denken, tussen de weelderige, tropische planten.  Gisteren was de dag van de verkiezingen. In het dorpshuis van Havelte stond zelfs een kleine rij te wachten bij het stembureau. Het rode potlood was terug, samen met de stembus en zoals bij alle verkiezingen, voornamelijk gepensioneerde mannen achter doorleefde vergadertafels. Iedereen die met het extra, lange stembiljet richting de hokjes ging, kreeg uitdrukkelijk, een fijne dag toe gewenst. De verkiezingsdag voltrok zich, volledig buiten het digitale weefsel, waarvan wij intussen onlosmakelijk deel maken. Het ministerie van Binnenlandse Zaken wist met handmatig stemmen de verkiezingen veilig te stellen en het gevaar van hacken te voorkomen. Ik voelde een vage mengeling van ernst, beetje trots en lichte vrolijkheid. Als kiezer deed ik er toch maar mooi wél, heel eventjes toe; kon ik een beetje duwen, gaf een krasje op het glazen plafond. Wat bezweet liep ik het Vlinderparadijs uit; op weg in een fijne dag van grote vrijheid, zonder hacken.

 

 

 

 

 

 

Even naast je zitten

Dit is een boodschap uit Noord India: “Eindelijk wifi. Hier zit ik nu.” Dit is de boodschap terug uit Nederland: “Wil wel graag even fysiek naast je zitten. Maar al wifiënd, is het ook al heel wat”.

Hier zit ik nu. Het ruist en suist overal. Een zachte, eindeloze gons met soms heel harde dreunen.

Waar blijf je dan als je er niet meer bent? Of was je er eigenlijk  toch al nooit? Hoe ziet het eruit in die enorme ruimte waar het kleinste deeltje dat ik denk te zijn, eenvoudigweg opgaat in alles vullende onzichtbaarheid.

In een oogwenk verdwenen oude keizerrijken aan het begin van de vorige eeuw, het rusische, het duitse, het oostenrijkse. Het turkse sultanaat en koninkrijken; het griekse en het spaanse koninkrijk, dat intussen al weer terug is. Het breken, wankelen en groeien van dictaturen. En onze huidige democratieën lijken plots wel heel erg oud. Oververmoeid door het zuchtend, kreunen van menselijke onvrede die onoplosbaar lijkt.

Ik wil wel graag even naast je zitten in wifi of fysiek. Zorg delen over toonhoogten in het dagelijks gesprek over niets en over alles. Goed luisteren, goed kijken en goed doen, zodat ontoereikendheid voor één moment wordt opgelost, in grote vrede.

Morgen zijn de verkiezingen, waar heel veel vanaf hangt. Wil je wel even naast mij zitten?

 

Betoverend

Vanmorgen wandelde ik bij Ruinen het bos in op weg naar de hei. Het bos was nat en stil. Het weer was grijs. Er liep verder niemand op de modderige paden. De honden weten precies de weg en kiezen langs modderpoelen steeds de beste route. Ik hoef er alleen maar achteraan te lopen. Er staat veel sterre mos. Elke wandeling pluk ik 1 stengeltje met bovenop 1 sterretje dat geurt zoals het hele bos. We liepen over de lange, smalle brug die een jaar of wat geleden werd aangelegd, om doorgang met droge voeten te kunnen houden. Het bos is nu een overloopgebied geworden en staat in de wintermaanden meestal voor een groot gedeelte onder water. Gogo de dwergteckel stapte eens, toen ze nog maar een maand of drie oud was, pardoes van de brug af  het donkere water in. Ik kon haar daar met geen mogelijkheid uit tillen, het was te diep. Dus ze moest zwemmen en dat deed ze; als een razende peddelde ze met haar kleine pootjes naar de kant, naar het einde van de brug. Ze schudde zich en trippelde verder, alsof er niets gebeurd was, terwijl het ook nog heel koud was. Het overlopende water dat vanaf de hei, uiteindelijk naar Meppel stroomt, is volledig gereguleerd met kleine sluisjes die nauwelijks opvallen. Intussen regent het al weken en het was dan ook wel een beetje vreemd, dat het hele reservebekken droog stond. Ik miste het zwarte en de weerspiegeling van het bos. Thuisgekomen lees ik in de Verzamelde verzen van J.H Leopold (1886-1925). Lyrisch, uit een andere tijd, zingt zijn taal; over bossen, planten, regen, het bitterzeere, vroeggegriefden, stilte, grootte witte wolken en nog veel meer:

“De regen trilt

over het spiegelen, spiegelen; tilt

hij nu niet zijn kabbelvoetjes

in babbelgroetjes

weg over het water, dat lage mild

neergelegene, een vloer, die blank

te voeten ligt in een koningszaal”

En zo gaat verder, bladzijde na bladzijde.

 

 

Een zwemmend bos, als een koningszaal met een drogevoeten brug.  Betoverend is het; dat bos en de gedichten van Leopold. De ‘babbelgroetjes’ vind ik trouwens op de een of andere manier weer heel erg van deze tijd.

 

India for ever

Een levende spiritualiteit wortelt tot in de haarvaten van de Indiase samenleving en trekt al jaren lang, duizenden en duizenden mensen van uit de hele wereld. In de winter van 1968 trokken de Beatles naar Rishikesh in Noord India. Zij verbleven in een ashram aan de Ganges, in de uitlopers van de Himalayas. Volgden Maharishi Yogi’s lezingen en trainden in transcendente meditatie. In ongeveer dezelfde tijd kwam de ashram van Osho, toen nog Bhagwan Shree Rajneesh, in Poona tot volle bloei. De ashram en de lectures van Bhagwan inspireerden velen en ook mij. Op het ogenblik, altijd in de wintermaanden, verblijven weer vrienden en bekenden in LaxmanJhula, dicht bij Rishikesh. Zelf kan ik daar door kwetsbare gezondheid niet meer naar toe. Maar met enige weemoed denk ik terug aan de periodes die ik in India verbleef.  Het geabsorbeerd worden, of je wil of niet, in het volstrekt andere; dat is verblijven  in India. De schoonheid, zelfs van viezigheid, de kleuren, geuren, smaken, geluiden, het krioelen van mensen en dieren, verlaat je nooit meer helemaal. Nu zijn er weer honderden en honderden mensen, vaak nog heel jong , uit heel Europa, Brasilie, Australië. Zij bezoeken de satsangs van ShantiMayi, Mooji, PremBaba. Het woord satsang komt uit het Sanskriet: Sat is waarheid en Sanga gemeenschap. Satsang betekent: “samen zijn in waarheid”. Al vele jaren komen mensen bijeen om uitdrukking te geven aan hun diepste verlangen: vrede te vinden in zichzelf.  Dat diepe verlangen laaft zich en vult zich met wijsheid, devotie en liefde. De ashram waar ShantiMayi jaarlijks een aantal maanden verblijft is een traditioneel Vedische ashram. De Westerlingen verblijven in hotels in het dorp en de Indiërs wonen in de ashram. Zij mengen niet of nauwelijks met elkaar. Hans Maharajji, de guru en stichter van Sacha Dam is in 2011 overleden. Over zijn opvolging vanuit de Indiase lijn wordt nog steeds gestreden heb ik begrepen. Dit speelt zich af op het niveau van ashram politiek en heeft niets met Premier Narendra Modi’s politiek van ‘India First’ te maken. (blog van 2maart) Hoewel vrees ik, het ‘First principe’ ook in de strijd in de ashram een belangrijk element is.

Over het diepe verlangen naar vrede, dat zich laaft en vult met wijsheid, devotie en liefde, is het lastig schrijven. Woorden die je  hoort of leest, benaderen en echoën wat vrede, wijsheid, devotie en liefde is en dat is al heel wat. De beeldmetafoor hierboven: nog een echo van wat niet uit te beelden is. Het is het grootste schilderij dat ik tot nu toe maakte: twee meter breed en een meter hoog.

India for ever: je moet er plaats voor hebben of plaats voor willen maken en het is niet te koop.

 

 

First, First… India First

Denken over het ‘First’ principe in de politiek werd actueel door de krantenkop; ‘India First’. Het is druk in de wereld van … First. In Trouw verscheen afgelopen dinsdag een groot artikel over Premier Modi’s hindoe-nationalisme, zijn Trumpiaans getwinter en Wilderiaans vermijden van interviews en persconferenties. Narendra Modi doet zowel de economie als het nationalisme groeien schrijft Trouw. Het bracht India, waar ik regelmatig was, weer heel dichtbij. Ik vroeg aan een vriendin die het ogenblik  in LaxmanJulha verblijft of zij iets van toenemend nationalisme  merkt.  Nee dus. Net zo min als ik in mijn dagelijks leventje weinig of niets merk van ‘Nederland eerst’ , merkt zij iets in India . Ze schrijft, wat op valt is, dat iedereen hoopt, dat het plotseling, ongeldig verklaarde 1000 roepie biljet weer gauw in ere hersteld zal worden. Zonder een 1000 roepie biljet is het heel onhandig wisselen in het dagelijks geldverkeer. Veel nieuws lezen en diepdenken over politieke mechanisme in onze maatschappelijke, nationale en globale systemen is, vooral op het ogenblik, gewoon spannend. Het zijn de meningen, overtuigingen van mensen, meest mannen en hun gedrag, die sturend zijn in deze mechanismen, vertolkt en vertaalt door kranten, televisie en via het internet.  Geen echt nieuws eigenlijk. De observaties uit de wereld van vierjarigen waren voor mij wel nieuw.

First…ikke, ikke, ikke eerst.

Gisteren keek ik via een nieuw televisieprogramma mee in de ‘geheime wereld van vierjarigen’. Het was fascinerend om te zien hoe daar het – ikke eerst-  principe bijna steeds het uitgangspunt was. Is dit dan toch een natuurlijk gegeven ? De kleuters gaan met elkaar een speelruimte in en moeten zich zonder leiding, zien te redden met speelgoed en vooral met elkaar. Zonder het te weten werden ze gefilmd. Het was duwen, trekken, terugtrekken, huilen, schreeuwen, wachten op een kans om toe te slaan. Soms ook letterlijk slaan. Dwingende pogingen om verstandhoudingen te regelen en de eigen zin door te drijven, eindigden steevast in oplopende ruzies. Maar dan, toen een van de kleuters niet al te opvallend dingen begon te regelen, ontstond rust in de groep, samenwerken, samen overleggen en zelfs vriendschap. Er kwam bovendien iets tot stand: een huis van lappen en karton. Dit lukte dankzij de zachte, bijna onmerkbare leiding van een klein, zwart meisje. Ze hielp haar kleutergenoten, al bouwende aan het huis, om tot hun recht te komen, op precies het juiste moment. Zou het een idee zijn om de politieke leiders van het ‘First’ principe te verplichten om met elkaar drie weken in een  speelruimte door te brengen met als opdracht: een huis bouwen voor iedereen ? Maar dan moet wél óók dat kleine, zwarte meisje mee, anders wordt het niets, ben ik bang.

https://tvblik.nl/het-geheime-leven-van-4-jarigen .

 

 

 

 

 

Brood, kaarsen en oesterzwammen

Voor de derde keer rij ik richting Wapserveen, naar de Hobbitstee om brood en oesterzwammen te kopen. Voorbij de Johannes Post kazerne, aan een zijweg en nog een burgerhuis ligt de Hobbitstee. De Hobbitstee bestaat al heel lang. Het is een van de oudste leefgemeenschappen in Nederland. Ooit kocht ik kaarsen van bijenwas die uit de  Hobbitstee kwamen. Ik weet het nog goed. De kaarsen, okergele, plakjes bijenwas, opgerold met de hand en een lont in het midden, waren heel anders dan de gladde, witte kaarsen uit Gouda. Er zijn nog altijd van dit soort kaarsen te koop, maar ze komen niet meer uit de Hobbitstee. Mogelijk zijn ze ook niet meer van bijenwas.

Vaak had ik gehoord over de Hobbitstee, als leefgemeenschap. Nu woon ik er dichtbij. Via een flinke wandeling over de hei kan ik er zo naar toe. In een artikel in Trouw, 16 oktober 1996, is meer over de geschiedenis te vinden. Even googelen en je bent er. Het is een leuk interview om te lezen. Als je de geschiedenis over wilt slaan, kun je direct door naar twintig jaar later, naar hoe het nu is;  http://www.dehobbitstee.org

In de bakkerij koop ik geurend brood, dat uit de grote, zelfgebouwde, houtgestookte oven komt. Het is aangenaam warm in de bakkerij, een nagloei van ovenwarmte. De croissants en quiches zijn niet te overtreffen, echt niet. Later thuis als alles uitgestald is in mijn eigen keuken, ruikt het alsof ik zojuist zelf gebakken heb. Hoe aangenaam. Er zijn voor zover ik weet geen hobbitkaarsen meer te koop. Wel oesterzwammen, gekweekt, ja gekweekt op koffiedik. Snijden in lange repen, heel eventjes aanbakken in wat roomboter,… en daarna zachtjes neerleggen op een bedje van verse, warme aardappelpuree. Genoeg om heel gelukkig te zijn.

 

De carnavalshit 2017

Brabant koos vandaag  de carnavalshit van 2017. Op de regionale tv omroep Brabant zagen we een grote, deinende, feestende massa. De Dorini’s met “de nonnen uit het zuiden”, zij werden nummer één. Wat een feest. Gefeliciteerd meiden! En bloglezers dank voor het stemmen op de Dorini’s

Als je nog een keer wilt genieten kijk dan op de blog van 16 februari: Carnaval, het komt eraan.