In alle vroegte op naar chemo 4

Al om half acht op deze winterse morgen moesten we voor chemo 4 naar het Bethesda ziekenhuis in Hoogeveen. Terwijl de auto warmdraaide, ijs en sneeuw van de ramen smolt, werden ook de vogels gevoerd. De tientallen mussen en mezen, de eksters, kraaien en duiven, waren nog nergens te bekennen. Het was te donker. We gingen op weg, het eerste stukje was als een ijsbaan. Maar op de grote weg was gestrooid. Er werd vol vertrouwen met bijna gewone snelheid over het zwart glinsterende asfalt gereden. Behaagelijk zittend op onze verwarmde stoelen reden we door het stille, witte landschap.  “Ben je zenuwachtig”; vroeg ik. Zo begon een dankbaar gesprek over hoe goed alles georganiseerd is. Van gestrooide wegen, tot een maximale, medische behandeling, door lieve, begane, o, zo, professionele verpleegkundigen. “Nee, ik ben niet zenuwachtig”. was het antwoord. “Het is mooi zoals de behandeling toch nog weer aanslaat. Wat wil je nog meer? Straks als het lente wordt, is alles achter de rug. En wie weet hoe lang ik dan toch nog weer door mag.”

De keizer aller ziektes zit dan wel op de troon. Maar voorlopig heeft hij het niet voor het zeggen, is hij onder controle.

Siddhartha Mukherjee schreef  een indrukwekkend relaas over kanker, waar mensen al meer dan vijfduizend jaar mee leven en aan sterven. Het is aangrijpend en spannend om te lezen hoe er gezocht is naar genezing. Met hoeveel moed er geëxperimenteerd (en geblunderd) is en wordt, om het ziek zijn te controleren, te verlichten, maar veel liever nog te genezen. Een van de grootste lessen in het boek gaat over samenwerken. Want pas toen onderzoekers en behandelaars doelgericht in grote openheid gingen samenwerken werden  resultaten in behandeling en zelfs genezing bereikt. Die succesvolle samenwerking werd gestructureerd op internationaal niveau. President Nixon maakte in 1970 enorme bedragen vrij voor strategisch kankeronderzoek en bestrijding. Hij tekende in 1971 in het Witte Huis de – National Cancer act –  valt te lezen. Hij deed het snel en zwierig. Het wetsvoorstel wilde velen tevreden stellen, raakte omstreden. Maar toch, in alle hoeken van de wereld werden echte resultaten geboekt.

Ik ben veertig jaar later zeer onder de indruk van de verfijning in diagnostiek en behandeling. Ik weet nog heel goed hoe ziek mensen van kanker waren in de zestiger, zeventiger jaren, en hoe hopeloos dat meestal was. Het woord kanker was zelfs lange tijd taboe, men sprak toen liever over: ‘K’.

En natuurlijk zijn mensen ook nu vaak nog heel ziek, maar toch, het is minder hopeloos, omdat de behandelingen zoveel meer uitgebreid en verfijnd zijn geworden. Er valt mee te leven. De nuchtere opmerking die hierbij dan tenslotte nog gemaakt moet worden is: ‘ ja, er valt mee te leven, … en het zal wel moeten.’