Een hole in one

Een hole in one. Gisteren maakte ik het mee, zag het helemaal gebeuren. Vanaf de afslag suisde de bal in rechte lijn naar de green, kwam neer, rolde iets naar rechts, weg uit de kaarsrechte lijn en toen weer terug naar de vlag, waar hij verdween, in de hole.

Ja, in de hole.

‘Een hole in one,’ juichte ik. Maar mijn flightgenoot die de hole in one sloeg kon het niet geloven. ‘Ga dan mee kijken,’ riep ik ‘het is echt ’n hole in one.’  ‘Nee, sla nu eerst maar gewoon zelf, dan zien we het zo dadelijk wel,’ was de reactie. En dat deed ik. Ik sloeg zelf maar had geen idee waar mijn eigen bal terechtkwam. Want ik kon niet wachten, omdat een hole in one eigenlijk, zeg maar,  bijna niet voorkomt en omdat ik wist dat ik gelijk had en het dit keer ook zou krijgen

Daarmee heb ik intussen wel wat ervaring opgedaan, met variaties rond gelijk hebben. Het gelijk wel krijgen. Het gelijk niet krijgen. Of het gelijk dagen, weken of jaren later, al dan niet stilzwijgend, alsnog wel of niet krijgen. Maar dit keer was het overduidelijk. Ik had gelijk, de bal lag met één slag vanaf de afslag in de hole.  Een life event in de golfwereld. Het lukt een middelmatige speler, 1 op de 12.700 keer, las ik online ergens. Duizenden en duizenden keren lukt het niet om dit doel te bereiken. Daardoor ook durfde mijn golfvriendin, ‘het niet te geloven,’zei ze een beetje verontschuldigend, toen ik riep, ‘nou, nou, wat zei ik?’

 

Golf bestaat uit heel veel standaardhandelingen en regels.  Het is niet zo maar een spelletje. Je moet echt wel wat kunnen en  wat zijn. Na een poosje meedraaien in bijvoorbeeld de marshalfunktie kun je hierover veel  grappige en interessante anekdotes vertellen. De marshal heeft namelijk als taak toezicht te houden op het goede spelverloop.  En over wat goed spelverloop is, over wat je kunt en over wat je bent of denkt te zijn, kan heel verschillend gedacht worden.

Met de hole in one nog vers in mijn geheugen las ik vanmorgen met plezier de column van Bert Keizer over standaardhandelingen die merkwaardigerwijs, schrijft hij, ineens overgaan in heel andere handelingen. Dit heet overspronggedrag. De teckels bijvoorbeeld gaan geeuwen als er plotseling iets anders van ze gevraagd wordt dan zij zelf hadden bedacht. Dit geeuwen is overspronggedrag, leerde ik toen ik de wanhoop over het gedrag van de teckels nabij was. ( blog teckelcollege 23 juni 2017)

Een golfspeler die ambitieus, zo goed mogelijk de bal probeert te raken en inplaats daarvan  diep in het gras hakt, vertoont overspronggedrag. Dat overspronggedrag kan varieren van wijselijk beheerst, een beetje schaapachtig lachen, tot boos onbeheerst nog een keertje extra in het gras hakken. Voorbeelden van het verbaal uiten van overspronggedrag tijdens het golfspel laat ik hier verder achterwege.

Overspronggedrag ontstaat dus in situaties waarin je als mens of dier geen kant meer uit kunt, wanneer er geen ruimte is om te doen wat je zou willen, zoals een mooie bal slaan en in plaats daarvan in het gras hakken. De energie bedoelt om de prachtige swing uit te voeren, moet onvermijdelijk en ongewild, langs een andere weg worden afgevoerd. Bij mijzelf merk ik tijdens het golfen regelmatig overspronggedrag op en als ik dan vervolgens niet goed oplet, dan vind ik ook daar nog weer iets van. In een spanningsboog zoals deze komt  – a hole in one- bepaald niet dichterbij. Mogelijk worden onder andere hierdoor zo weinig -holes in one- geslagen.

 

*Met dank aan Bert Keizer voor zijn column over ‘De soldaat en de Versuvius’, in Trouw op vrijdag 7 september 2018

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *